De geschiedenis van de Cairn Terriër
De Cairn Terriër is, voor de meeste kenners, het oorspronkelijke type. Zijn naam is afkomstig van het Keltisch woord
"Cairn", in de betekenis van, een natuurlijke of aangelegde hoop stenen voor het aanduiden van een doorgang of
afbakening van een terrein of eigendom. De "echte"
Cairns zijn echter veel ouder: reeds van in het Bronzen tijdperk zijn zij
nauw verbonden met de wereld van de Keltische volkeren, die ze
aanzagen als huiselijke goden. Nog voor het Christendom, toen de
Kelten in hun opmars, ter verovering van het latere Schotland, gestopt
werden door de Pikten, bouwden de Romeinse legioenen op hun beurt
grafheuvels, bestaande uit aarde en stenen waaronder ze hun doden
begroeven.
De traditie vereiste vervolgens dat een reiziger die in de nabijheid van zo
een grafheuvel passeerde, er een steen moest opleggen, om de gunst
van de overledenen te winnen. Met de tijd werden deze grafheuvels
verlaten, ja, zelfs vergeten.
Ze geraakten overgroeid met braamstruiken en ondoordringbaar struikgewas, maar gaven niettegenstaande, een
onneembare schuilplaats aan vossen, dassen en andere kleine dieren. Onneembaar? Voor het merendeel der honden
wel, maar niet voor deze van kleine gestalte, korte pootjes, volledig beschermd door een ruwe vacht en die dus, zeer
terecht, de naam kregen van hun geliefkoosd terrein.
In de 19e eeuw wordt deze hond steeds populairder, waardoor hij, tussen 1875 en
1883 mascotte is van het cricketteam van Aberdeen. Deze jager, verzot op dassen
en vossen in de Highlands, blonk ook uit in de achtervolging van otters en,
binnenshuis, gerenommeerd verdelger van ratten, muizen, wezels en bunzings, in
zoverre dat de kynoloog F.T.Barton schreef dat zij de "oudste ongediertedoders"
waren.
In 1860 wordt deze hond voor het eerst getoond op de tentoonstelling van
Inverness onder de naam "Kortharige Skye Terriër", benaming die werd gekozen
voor zijn afkomst van het eiland waar men, zeer logisch, de meest typische
exemplaren vond. Voordien, was er nog een andere terriër, eveneens afkomstig
van het eiland Skye, gereputeerd voor zijn lang, zijdeachtig haar, en die de
aandacht had getrokken van koningin Victoria zelf, die in 1842 besliste deze
honden te fokken.
De Cairn Terriër kon dus niet erkend worden als apart ras onder de naam Skye
Terriër, ondanks de bijkomende vermelding van zijn vachtstructuur. Meer nog, de
Kennel Club wou in geen enkel geval horen spreken van een werkterriër,
afkomstig van het eiland Skye, met de benaming Cairn Terriër, benaming die de
vernuftige kynologische verantwoordelijken als te onprecies bestempelden.
Geprangd tussen de Kennel Club en de voorstanders van de Skye Terriër, blijven de liefhebbers van de Cairn een halve
eeuw lang strijden opdat deze hond uiteindelijk het recht zou krijgen om officieel zijn huidige naam te mogen dragen. In
1910 stemt de Kennel Club, onder druk van twee gerenommeerde foksters - Mrs Alistair Campbell en Mrs Mary C. Hawke -
uiteindelijk toe om deze hond officieel "Cairn" te noemen. Op 27 mei 1912, besliste het comité van de Kennel Club om
voor de Cairn een stamboek te openen: het eerste ingeschreven exemplaar luisterde naar de naam NISBET en behoorde
toe aan Major Ewing. Mrs Campbell en Mrs Hawke voerden nog campagne om een eind te maken aan het kruisen van de
diverse Cairnkleuren met de witte (toekomstige Westie). Vanaf 31 december 1924 hakt de Kennel Club uiteindelijk de
knoop door en weigert nog verder de pups van deze kruisingen in te schrijven. De populariteit van de Cairn komt nochtans
niet onmiddellijk tot uiting, aangezien in 1922 (tien jaar na zijn erkenning) er slechts 141 exemplaren in de registers van
de Kennel Club werden ingeschreven.
Men heeft dikwijls gezegd dat de Cairn Terriër min of
meer verwant was aan de Schotse Terriër, aan de West
Highland White Terriër, ja zelfs aan de Dandie Dinmont
Terriër.
De kynologen die deze theorie, volgens de Cairn Terriër
één van de originele Terriër types is, verdedigen, eisen
dat in de eerste standaard van de Schotse Terriër,
gepubliceerd in 1880, in de rubriek van de kleur vermeld
wordt, dat de meest wenselijke kleur roodbruin gestroomd
is met de oorpunten en de snuit zwart, een typisch
kenmerk van de huidige Cairns. Het is immers R. Juteau,
gespecialiseerd kenner van gravende honden, die
vermeldt dat de Cairn Terriër aanzien moet worden als
"de oudste van de schotse terriërvariëteiten" en zonder
twijfel als het meest oorspronkelijke type.